Hoofdtekst
In de buurt van Schelfhoutshoek (gem. Graauw), bij 't z.g. "Lange Pad", het huiske staat er nu nog, kort bij het gehucht "Rosenberg" (Rooversberg) woonde bijna 100 jaar geleden een vrouw, Jodoca Lis genaamd, die in de buurt bekend was om haar dikwijls boze streken die ze uitvoerde.
Ze was getrouwd, maar 't huwelijk was kinderloos gebleven en haar man, ook dat wist iedereen, lag zo men zegt "voor een oortje thuis"!
Op een warme zomerdag was Jodoca bezig op een korenveld, waar de tarwe werd gesneden met het "rapen" en met haar ook een aantal kinderen.
Dat "rapen", U zult dat ook weten, meneer, was een soort van gewoonte, die bijna iedere boer toestond en de arme mensen zeer tepas kwam zowel voor 't gezin als voor het "keutje" dat daarvan gevet werd.
"Jodoca", roepen een paar kinderen, die er al eens van hebben gehoord, "toe, maakt eens wat muizen!"
"'t Is goed," zegt Jodoca, "maar dan moet g'allen een handvol vochtige grond bij mij brengen." Ze maakt van elke handvol een soort van bal en windt daar een stroohalm omheen. Dan wrijft ze de ballen door haar handen en meneer, steeds meer muizen, maar alle zonder "kodde" (staart) vallen uit haar handen op de grond en rennen weg.
Bang, maar toch nieuwsgierig gillen de kinderen het uit en het werkvolk dat aan 't graan snijden is komt ook toekijken.
De boer, die van ver al gezien heeft dat er wat gaande is komt aangelopen.
"Jodoca," zegt hij, "'zag maar liever dat ge van 't land afgaat, g' houdt de mensen maar van 't werk met je vreemd gedoe!"
"'t Is goed baas, dan zal ik wel gaan, maar 'k kan U zeggen, ge zult er gauw spijt van krijgen!"
"Dat zien we dan wel", zegt de boer.
Een poos later, het eerstvolgende voer dat weer naar de schuur wordt gereden komt niet verder dan de oprit naar de weg en kantelt daar om, met de wielen in de hoogte. Nauwelijks is de wagen weer recht en opnieuw beladen of weer kantelt de hele boel, waardoor de paarden zo schrikachtig worden, dat ze niet opnieuw kunnen worden voorgespannen.
"Baas", zegt een der knechten, "ge begrijpt zeker wel, dat Jodoca hier de hand in heeft!"
"'k Ga 't ook geloven," zegt de boer en hoe ongaarne ook gaat hij naar het huisje van Jodoca.
"'k Had ouw al verwacht, baas," zegt ze, "als ge mij weer laat rapen zult ge verder geen last hebben!"
"Vooruit dan maar", zegt de boer, zeer tegen zijn zin.
En 't is gek, meneer, maar geen voer graan is verder meer gekanteld!
Sterker nog; om de achterstand in te halen wordt de wagen telkens gevaarlijk hoog opgeladen, maar geen strootje valt er verder af!
'k Sprak U zo-even over het "keutje" van de armen, dat hun de lange winter voor het uiterste gebrek behoedde! Ook Jodoca had er twee, maar daar was iets bijzonders mee! Ze waren de hele zomer brandmager, want inplaats van ze in 't hok op te mesten had ze de dieren gedresseerd en bereed ze deze als een ander mens zijn paard! Tegen het najaar staakte ze deze sport en was het dan november, dan waren ze dik, vet en slachtbaar.
Thuis bij Alouis Triest, dat was de grootvader van mijn vrouws zijde moesten ze niet veel hebben van Jodoca. Eenmaal kwam ze op haar varken aangereden en keek bij Alouis in 't varkenshok.
"'n een mooi vet beestje, buurman", zegt ze, "maar 'k geloof niet dat ge 't ooit zult slachten!"
"Maak maar dat ge weg komt", zegt grootvader Alouis, maar 't kwaad was zeker al geschied, want 't beest dat veel at, werd met den dag magerder, totdat ze 't van armoe maar voor den tijd hebben geslacht!
Haar man - ik zei het U al eerder - had niks in te brengen. Op een goeien dag heeft ze hem zogenaamd "afgelegd" en in een oude houten kist gelegd, met bevel geen enkele beweging te maken en zich voor dood te houden. Jodoca loopt naar een buurman, een zekere Compiet en zegt: "Och, buurman, nou is mijn man plotseling gestorven, 'k heb hem zelf afgelegd, toe kom eens zien." Wat kon Compiet anders doen dan meekomen, al dacht hij dadelijk aan een slechte streek. Maar zoveel zag hij wel, dat hij met geen dode had te doen. "Jodoca", zei hij, "eens zult ge branden voor Uw boze streken, maar nooit meer kom ik bij U nog binnen!"
Ook een naaistertje in de buurt van Zandberg, die een jaar getrouwd was en een kindje in de wieg had liggen was als de dood voor bezoeken waarmede Jodoca haar soms vereerde.
Als ze weg was begon het kindje steeds te huilen en wanneer dan het bedje en de kleertjes werden nagezien vonden ze daartussen steeds een aantal kleine kopspeldjes, die het arme wurm prikten.
De Pastoor werd er bij gehaald. Deze vraag het naaistertje: "Ge gelooft toch?"
"Ja", zegt het naaistertje. "Welnu", zegt de Pastoor, "laten wij samen met Uw man bidden".
Maar ondanks alles werd het arme schaap de volgende dag dood in haar wiegje gevonden.
Veel moeite is er gedaan, ook door de Pastoor, Jodoca tot een gewoon, goed mens te maken, maar jarenlang heeft ze haar boze streken nog voortgezet.
Te veel, zei grootvader, om ze alle te vertellen.
Onderwerp
SINSAG 0581 - Hexe macht Mäuse   
SINSAG 0541 - Hexe lässt Wagen vom Deich (Weg) fallen
  
SINSAG 0531 - Peinhexe quält einen Menschen mit einer Puppe, in welche sie Nadeln steckt.
  
TM 3101 - Heks maakt kind (mens, dier) ziek   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Lange Pad   
Jodoca Lis   
Alouis Triest   
Naam Locatie in Tekst
Schelfhoutshoek   
Graauw   
Rosenberg   
Rooversberg   
Zandberg   
Plaats van Handelen
Roversberg   
