Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVUNL050 - De duivel te gast

Een sage (almanak), zaterdag 19 juni 1920

Hoofdtekst

De duivel te gast

Half sage, half legende leeft er 'n verhaal in een der steden van Noord-Limburg, dat ik u vertellen zal.
Het was daar gewoonte van sommige stervelingen om te kaarten van 't oud in 't nieuw. En me dunkt zo, daar is niets tegen. Eenmaal aangenomen dat je de wisseling der jaren beleven mag, staan je maar twee manieren ten diepste om dit te doen: biddend of kaartend de laatste spanne voor 't klokkeslaan door te brengen, want zwetsen de hele avond, dat hou je niet uit, al zitten er zelfs tien mensen om je heen. En die kunnen anders wat te berde brengen! Natuurlijk is het 't meest juiste, dat je bidt in de gewichtige ure van 't wisselen der jaren, maar kaarten, dat kan er stellig mee door.
Dit laatste gebeurde regelmatig bij Pieter Jannus, de waard van een koffiehuis, dat schuin tegenover de Paterskerk lag te X. En 't was meestal 't zelfde clubje, dat jaarlijks bij hem onder 't klokkeslaan de kaarten neerwierp en de volle pint in de hand nam, om elkaar een heilzaam en zalig nieuwjaar toe te drinken.
't Waren trouwe vrienden, die club van kaarters!
Het gebeurde de zondag voor Kerstmis, toen ze weer bij Pieter Jannus een pintje lichtten, dat een van hen zei: 'Laten we woensdag naar de nachtmis gaan bij de paters!'
Van harte stemden de anderen met 't voorstel in, maar de waard, die 't hoorde, spotte lachend:
'Als je maar wakker bent.'
'We komen kaarten,' riep de voorsteller vol geestdrift.
'In de kerstnacht kaarten, dat is maar lala,' meende de waard en ook de anderen konden er niet veel voor voelen.
Na lang over en weer praten, besloten ze echter dat 't de enige zekere manier was om twaalf te halen, en spraken ze af tegen tienen saam te komen.
In de late avond van 24 december trokken de mannen langs de sneeuwbevroren wegen naar hun kaartkroeg, waar op de haard de houtblokken te vlammen lagen en de olielamp op de tafel te pinkelen stond.
Ze schudden de kou van hun kleren, toen ze de gelagkamer waren binnengetreden en na enige minuten kraste 't krijt lange, witte lijnen over 't leike, waartussen de winst- en verliesgetallen zouden worden opgetekend.
Geeuwend zat Pieter Jannus 't spel aan te zien. Hij was er niet in en tegen elven ging-ie z'n bed opzoeken met 't verzoek aan de gasten, de deur flink dicht te trekken als ze weggingen.
''t Gaat niet van harte,' zei de een, de slagen van de ander kritiserend, bij 't vorderen van de tijd. 't Was vooral de voorsteller van 't nachtelijk avontuur, die zich boos maakte op z'n medespelers en zich zeer opwond, daar 't bier, dat hij met grote teugen dronk, hem bovendien verhitte. Krakelend speelden ze door, totdat drie van de club van vieren tegen kwart voor twaalf de kaarten neerwierpen en zich gereedmaakten weg te gaan.
"t Is nog tijd genoeg,' zei hun gezel, 'we spelen tot klokkeslag, al zou ter duivel meedoen.'
Nauwelijks had hij dat in zijn overmoed gezegd, of de deur der gelagkamer ging open en een zondags gekleed m'nheertje kwam binnen, allervriendelijkst de kaarters begroetend en innemend hun verzoekend, van de partij te mogen zijn.
'Ik hoorde jullie vrolijk gelach,' zei-ie, 'en dacht, dat zijn de vrinden, waar ik bij moet zijn. Ge staat me toch toe mee te spelen? Kom, met frisse moed nog 'n kaartje gelegd en een flinke pint gedronken.'
Zonder verdere plichtplegingen ging-ie zitten en schonk de glazen vol uit een kan, die ze allen leeg wisten. Hij klonk met ieder afzonderlijk als een oude bekende, schudde rap de kaarten en 't spel ving weer aan.
Grof liet-ie ze winnen, want met handen vol tastte-ie de gouden schijven in de pot. Aan de tijd dacht niemand meer en ze hielden zich doof, toen de kloosterklok de vromen ter kerke riep om te vieren met gebeden de Komst des Heren.
Loerend waren hun begerige ogen gericht op 't geld, en de lust tot 't spel maakte hun handen onvermoeid. Ze zouden hebben kunnen doorspelen tot de laatste oordeelsdag!
Grijnzend zat hun nieuwe speelmaat hen te bekijken en 't leek haast of 't 'm plezier deed, als ze meelijdend bij 't tellen der punten hem toeriepen:
'Ge zit d'r weer in, ge zit d'r weer in!'
Duidelijk hoorbaar klonken de krachtige stemmen, die het 'Ades-te fideles' zongen over het verkilde land, maar de kaarters waren nu geheel verdoold in geld- en spelgedachten.
Toen liet plotseling een van hen 'n kaart uit de handen glijden en bukkend trachtte hij, zonder met de ogen los te laten het spel der anderen, de kaart weer te vinden met de hand. Maar als dat niet lukte, boog hij 't hoofd onder de tafel.
Met een ijselijke gil stoof-ie op en wilde ter deure uit, maar de schrik verlamde zijn voeten. Alle hoofden zagen benedenwaarts naar de plek die hij star blikkend wees met bevende hand, en ook de nog zittenden vlogen op van tafel en kermden als honden, die de zweep voelen op hun gevoelige lijven.
Dreigend noodde hun onbekende speelmakker, weer plaats te nemen en toen hij daarmee geen gevolg bereikte, stond hij op om met z'n stevige handen hen te grijpen.
Lijk schapen in een brandende kooi, dromden ze samen in een hoek bij de deur, starend naar de paardehoeven die onder de broekspijpen van de vreemdeling nu duidelijk zichtbaar uitsta-ken.
Iedere stap die hij zette, perste hun angstzweet uit 't bevende lijf en toen ze zijn adem voelden, zonken ze op de knieen als smekelingen voor hun beul.
Die vooraan zat, sloeg plotseling 'n kruis en de anderen volgden dat voorbeeld, en 't leek wel of hun belager de punt voelde van een scherpe speer in het weekste deel van zijn lichaam.
Huilend holde hij terug, zo ver van hen weg als-ie maar enigszins vermocht en ieder kruisteken dat ze maakten, scheen hem een nieuwe wond toe te brengen.
Toen kwamen ze uit hun schuilhoek en dreven hem in grote benauwenis naar een der ramen van het woonvertrek, en hij hees zich op aan de ijzeren staven en onder vreselijk gejank vlood hij de kamer uit, waar een ondraaglijke stank het verblijf haast onmogelijk maakte. 'God zij gedankt,' was alles wat hun angstige mond stamelen kon en hun haren rezen nogmaals te berge, toen ze op de tafel de plekken zwart verkoold zagen, waar de glinsterend gouden dubloenen gestapeld hadden gelegen.
Verder keken ze naar niets meer om in het vertrek, grepen hun mantel en hoeden en snelden de kerk in, waar de wierookvaten de offeraar welgeurend omwolkten.
Zij vroegen met vurige gebeden vergiffenis en smeekten God hen en hun huis te bevrijden van de boze.
En na 't eindigen van de dienst gingen ze de provinciaal spreken, wie ze oprecht hun ervaringen biechtten.
De geestelijke wees hun op het grote gevaar, waaraan zij door Gods goedheid ontkomen waren en onverwijld ging hij met hen naar de plaats waar de helse vijand onder mensengedaante hun zielen en lichamen belaagd had, en hij bande met krachtige gebeden de duivel uit de kamer en het hele huis. De mannen, die om hem geknield lagen, bemerkten hoe de verpestende stank optrok en de hele omgeving weer haar gewone gedaante hernam. Door de luide stemmen gewekt, kwam Pieter Jannus naar beneden en vernam met ijzing wat er die nacht in zijn woning was voorgevallen. Ook zelf voelde hij schuld en die drukte hem zozeer, dat hij met krachtige stem verklaarde dat er bij hem nooit meer zou worden gekaart, en nederig vroeg hij de priester vergiffenis voor zijn vreemde zonde. Toen het Lentetij aanbrak, liet-ie timmerlui en metselaars komen en die verbouwden zijn huis tot boerderij, en boven iedere ingang liet hij een groot kruis aanbrengen om de duivel voorgoed de toegang te beletten. Het behoeft niet gezegd te worden dat het verhaal van 't voorgevallene bij Pieter Jannus als een lopend vuurtje zich door X en omgeving verbreidde en van geslacht tot geslacht werd overgeleverd. De ouden van dagen vertellen het nog steeds aan de jongeren en ze voegen er dan bij dat nooit sindsdien een ruit nog beklijfde in de sponning waardoor de duivel ontvlucht was. Als de schilder er vandaag een zette, lag ze er morgen weer uit. Maar dat spreek ik op grond van eigen ervaring tegen, want ik ben dikwijls genoeg 't raam voorbijgekomen en nooit heb ik er 't vensterglas in gemist.

Onderwerp

SINSAG 0904 - Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).    SINSAG 0904 - Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).   

Beschrijving

Enige mannen besluiten in de Kerstnacht te gaan kaarten (om wakker te blijven). Om kwart voor twaalf willen drie stoppen, maar de vierde wil doorgaan al was het met de duivel. Dan komt een keurig heertje binnen en wil meedoen. Hij laat de anderen flink winnen en ze denken niet meer aan de tijd. Dan valt een kaart en een van de spelers bukt zich om hem op te rapen en ziet tot zijn schrik, dat de vreemdeling paardepoten heeft. Hij wijst de anderen erop en allen deinsen achteruit en als de duivel op hen afkomt, slaat de voorste een kruisteken, hetgeen de duivel doet stokken. Ook de anderen maken een kruisteken en de duivel verdwijnt, waarop de mannen snel naar de kerk gaan om de priester alles op te biechten. Deze verjaagt met gebeden de stank en de waard laat zijn kroeg tot boerderij ombouwen.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utr./Antw.1981, 51-54 N°3.1

Motief

C58 - Tabu: profaning sacred day.    C58 - Tabu: profaning sacred day.   

G303.6.1.5 - Devil appears when cards are played.    G303.6.1.5 - Devil appears when cards are played.   

G303.6.2.14 - Devil appears to Sabbath breakers.    G303.6.2.14 - Devil appears to Sabbath breakers.   

G303.4.5.3.1 - Devil detected by his hoofs.    G303.4.5.3.1 - Devil detected by his hoofs.   

G303.4.8.1 - Devil has sulphurous odor.    G303.4.8.1 - Devil has sulphurous odor.   

Commentaar

19 juni 1920
Der vierte Mann. Teufel als Kartenspieler erkannt am Bocksfuss (Pferdefuss).
André Schillings, in: Limburgs Leven 19-6-1920

Naam Overig in Tekst

Pieter Jannus    Pieter Jannus   

Noord-Limburg    Noord-Limburg   

Naam Locatie in Tekst

Paterskerk    Paterskerk   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22