Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2108

Een sage (boek), 1896

Hoofdtekst

Het is in 't laatst der achttiende eeuw geweest, dat er te Bolsward op het Hoog een paar gehuwde lieden woonden met een talrijk kroost. Hieronder was een kind van omstreeks negen maanden, dat steeds sukkelde, en men meende 't er voor te mogen houden, dat kwade menschen daar de hand in hadden. De moeder had eene vriendin harer jeugd, die ook getrouwd was, maar geene kinderen had. Zij woonde met haren man in de nabijheid, namelijk in de Witheerensteeg. Evenals niet zelden voorkomt, hield deze kinderlooze vrouw veel van kleine kinderen. Geen wonder dus dat zij hare vriendin, die in zoo'n drukke huishouding zat, dikwijls een bezoek bracht. Vooral vernam zij steeds met veel belangstelling naar het zieke kind. Ook de beide mannen gingen vriendschappelijk met elkander om. Aan het zieke kind werd natuurlijk gedaan wat doenlijk was. Medicijnen, door den dokter voorgeschreven, gebruikte men altijd door, doch niets hielp. Eindelijk verklaarde de dokter, dat hij niets meer aan de kwaal kon doen, hij achtte 't echter noodzakelijk dat het kind zog van eene andere vrouw kreeg. Wilde ook dat niet helpen, dan was er geen raad meer. De moeder achtte zich hierdoor beleedigd. Zij had altijd volop zog en al hare kinderen, behalve dit eene, waren flink opgegroeid en bloeiden als rozen. De dokter scheen wel gek. Haar man was van dezelfde meening en aangezien het kind vrij zeker betooverd was, vond hij maar 't best naar een duivelbanner te gaan. Des anderen morgens begaf hij zich op weg, voorzien van een fleschje met water van het zieke kind. De wonderdokter dien hij wilde bezoeken woonde op een aanmerkelijken afstand van Bolsward, zoodat de man niet voor den avond terug kon komen. Hij vond den dokter gelukkig tehuis. Deze beschouwde met aandacht het water in het fleschje, terwijl hij allerlei vragen deed, waarop de man zonder eenige achterhoudendheid antwoordde. Zoo bracht hij den duivelbanner behoorlijk op de hoogte der omstandigheden en kwam deze onder meer ook te weten, dat eene vriendin der moeder van het zieke kind daar dagelijks aan huis kwam en steeds medelijdend allerlei versnaperingen medebracht voor de lijdende kleine. De man ontving van den dokter een zakje met kruiden, waarmee de wieg van het kind moest worden uitgerookt, en een fleschje medicijn, waarvan men driemaal daags, 's morgens, 's middags en 's avonds, het kind een lepeltjevol moest ingeven. Daarbij werd hem opgelegd, zich onderweg nergens op te houden, maar zich haastig huiswaarts te spoeden. Verder, dat men moest zorgen bij 't uitrooken der wieg alle deuren en vensters goed gesloten te hebben. Bovenal moest hij er op letten, wie hem, als hij nu met de geneesmiddelen in den zak in de nabijheid van zijn huis kwam, tegemoet zoude komen en schijnbaar belangstellend naar den toestand van zijn kind vragen. «Want,» zeî de duivelbanner, « het gebeurt dikwijls, dat eene heks er den reuk van krijgt als men ter genezing van het betooverde kind den rechten weg is ingeslagen. En dan is zij er op bedacht om zoo mogelijk dat werk te doen mislukken.» Na betaald te hebben wat van hem gevorderd werd nam de man, met de medicijnen in den zak en 's dokters lessen in het hoofd, de terugreis aan. Angstig gejaagd, waagde hij 't niet, onder weg ook maar een kwartiertje rust te nemen; toch was het reeds duister toen hij te Bolsward de Sneekerpoort binnen kwam, gelukkig zonder eenig gevaar te hebben ontmoet. Langs het Hengstepad ging hij voorbij het Jongemahuis, ook Hooghuis genoemd, en voorbij het stadhuis de Witheerensteeg op naar het Hoog, waar zijne woning was. Pas was hij in genoemde steeg gekomen, toen hem eene vrouw ontmoette, die in het duister zoo dicht langs hem voorbij liep, dat zij met haar elleboog tegen zijne zijde stootte of eigenlijk tegen het medicijnfleschje, dat hij daar in den binnenzak had. Nu wilde het geval, dat hij in denzelfden zak ook een sleutel geborgen had, en deze deed het fleschje kneuzen, zoodat de medicijn verloren ging. Tehuis komende deelde hij aan zijne vrouw het ongeval mede en deze zeî dadelijk: «Die vrouw kan, dunkt mij, niemand anders geweest zijn dan onze vriendin; zij is hier pas vandaan gegaan en scheen eenigszins gejaagd.» — «Ach God!» zeî de man, «daar zou men 't beste van hopen.» — «Waarom toch ?» vroeg de vrouw eenigszins onthutst. De man vertelde nu waarvoor de duivelbanner hem had gewaarschuwd. Maar het zou hem toch leed doen als hunne vriendin eene heks bleek te zijn en de bewerkster van de ziekte huns kinds. En afgaande op des wonderdokters mededeelingen, begon hij toch te gelooven dat het wel waar zou kunnen zijn. Men kon het kind nu wel geen geneesmiddel toedienen, maar meende toch het uitrooken der wieg niet te moeten nalaten. Laat in den avond werd dit werk ondernomen, nadat men alle deuren en vensters zorgvuldig had gesloten en zelfs de slotgaten dichtgestopt. Want eene heks kan door een klein gaatje als 't moet. Alleen de schoorsteen mocht openblijven. De kruiden van den dokter wierp men in een komfoor met vuur, dat onder de omgekeerde ledige wieg was geplaatst. De kamer was spoedig gevuld met een bijna verstikkenden rook en tegelijk met een ondragelijken stank. Zoo dik werd de rook, dat de lamp ging kwijnen en dreigde uit te dooven. Middelerwijl jammerde en kreunde het zieke kind onophoudelijk. En terwijl dit alles op het hevigst was, werd er buiten aan de voordeur van het huis gedraaid. Deze zat goed genoeg op het nachtslot en werd natuurlijk niet geopend. Maar spoedig daarop hoorde men achter het huis op de plaats een hartverscheurend en rumoerig kattengejammer. Toen de kruiden verglommen en versmeuld waren, klaarde de rook, die een uitweg door den schoorsteen vond, een weinig op. De katten gingen zwijgen of trokken heen en het zieke kind werd rustig, zoodat de ouders konden gaan slapen. Des anderen morgens ging het verhaal dezer gebeurtenis als een loopend vuurtje door Bolsward en spoedig wist ieder te vertellen, wie de tsjoenster was die hier de hand in het spel had. Haar man, hoewel niemand het hem zeide, begon er ook iets van te bemerken. Hij was gewoon iederen zaterdagavond in de herberg de Valk te komen, waar hij dan een vast gezelschap burgers van zijnen stand aantrof. Hier werd het hem vrij verstaanbaar te kennen gegeven, dat zijne vrouw voor eene heks werd gehouden. Dit ergerde hem zeer, en mede op aanraden zijner vrienden besloot hij, middelen aan te wenden om zoo mogelijk achter het ware van de zaak te komen. Bij dag boorde hij, terwijl de vrouw even afwezig was, een gat in den zolder zijner woonkamer en wel boven de plek waar zij gewoon was te zitten. Den volgenden zaterdagavond ging hij op den gewonen tijd de voordeur uit, maar sloop om het huis heen, de achterdeur, die hij op een kier had gezet, weer in en verder zoo stil mogelijk den trap op naar den zolder. Vanhier kon hij zijne vrouw bespieden. Allereerst ging deze de vóór- en achterdeuren sluiten, en in de kamer teruggekomen opende zij een kastje, waarin zij, voorzoover hij wist, niets anders had dan haar eigen kleeding. Thans echter haalde zij daaruit een poppetje voor den dag, ter grootte als waarmee de meisjes spelen, maar dit was evenals een bakerkindje in luiers gewikkeld. Met dit poppetje ging zij bij den haard zitten en begon het met groote spelden te prikken, overal waar zij het maar prikken kon. Tegelijk zorgde zij, het haardvuur goed brandende te houden. Nu en dan zag zij naar de klok, want zij moest rekening houden met den tijd waarop haar man gewoon was terug te komen. — Welk doel was er bij dit speldeprikken? Dit: was er op dat oogenblik ergens, onverschillig op welken afstand, een kind lijdende ten gevolge harer tooverij, dan gevoelde dit al de prikken die zij in het poppetje deed, en kon, zoolang zij daarmee aanhield, niet ophouden met erbarmelijk te krijten en te schreien. — Tegen den tijd der terugkomst van haren man bergde zij het gereedschap weg en zorgde het avondmaal gereed te zetten alsware er niets gebeurd. De man sloop even behoedzaam als hij gekomen was naar beneden en de achterdeur uit. Bij de voordeur klopte hij aan en werd door de vrouw binnengelaten en ontvangen even vriendelijk als altijd. Hij echter had aanvankelijk niet veel praats, maar al spoedig verzocht hij om den sleutel van het kastje daar in den hoek. Niet zonder verbazing zag zij hem aan en zeide niet te begrijpen dat hij iets in dat kastje te doen kon hebben. «Geef mij maar eerst den sleutel,» zeî hij, «dan zal ik meer zeggen. » Zij was er niet spoedig mee gereed, maar hij bleef steeds sterker aandringen. «En vertel me nu eens,» zeî hij, «wat je eigenlijk in dat kastje hebt.» — «Dat is je wel bekend,» antwoordde zij: «ik heb er mijne geheele kleederdracht in. En —nu ja — als je 't weten wilt, ook nog een poppetje, dat ik onlangs op de straat heb gevonden.» — «Dat poppetje wensch ik te zien; 't verwondert mij dat je mij daar nooit iets van gezegd hebt,» zeide hij, terwijl hij het kastje opende. Tamelijk spoedig vond hij daar een rolletje goed, waaruit, toen hij het loswikkelde, het tooverpoppetje te voorschijn kwam. Hij bezag het nauwkeurig, en vroeg hoe het kwam dat het ding overal met spelden scheen beprikt te zijn. De vrouw wist daar niets van, naar ze zeide, en verzocht hem haar het poppetje maar terug te geven, zij wilde er een meisje van een harer kennissen mee verrassen. — De man beduidde haar, dat daaraan niet viel te denken. «Ga jij maar naar bed,» zeî hij, «ik wensch hier nog een kwartiertje bezig te zijn. Ik begrijp nu wel eenigszins op welke manier jij kleine kinderen verrast. Het poppetje krijg je niet terug.» Zij begon te schreien en zei, dat hij een onverstandige dwarskop was, maar zij ontkleedde zich toch en ging te bed. — Hij herstelde het vuur op den haard en zette er een goed aantal turven bij, zoodat het weldra flink begon te branden. En nu wierp hij het tooverpoppetje te midden der vlammen. Pas had hij dit gedaan, of de vrouw daar achter de gordijnen begon te stenen en te kermen van pijn. Haar man vroeg: « Wat scheelt er aan? Ik begrijp niet dat je 't daar zoo te kwaad kunt hebben.» — Maar haar gejammer nam steeds toe; zij kromp van smart. En toen eindelijk het poppetje geheel was verbrand, was de vrouw een lijk.

Onderwerp

SINSAG 0531 - Peinhexe quält einen Menschen mit einer Puppe, in welche sie Nadeln steckt.    SINSAG 0531 - Peinhexe quält einen Menschen mit einer Puppe, in welche sie Nadeln steckt.   

SINSAG 0627 - Hexe durch Verbrennung eines magischen Mittels gequält    SINSAG 0627 - Hexe durch Verbrennung eines magischen Mittels gequält   

TM 3101 - Heks maakt kind (mens, dier) ziek    TM 3101 - Heks maakt kind (mens, dier) ziek   

TM 3106 - Het drankje van de duivelbanner    TM 3106 - Het drankje van de duivelbanner   

Beschrijving

Een man en een vrouw hebben een kindje dat steeds ziek is. Ze zijn bang dat er sprake is van toverij. De man gaat naar een duivelbanner om advies. Deze geeft hem een drankje dat ze het kind dagelijks moeten toedienen en kruiden die ze moeten verbranden om de wieg te reinigen. Hij waarschuwt de man dat de heks zal willen voorkomen dat het kind geneest. Hij moet daarom in de gaten houden wie hij onderweg tegenkomt. Ook moet hij ervoor zorgen dat tijdens het verbranden van de kruiden alle deuren en ramen goed gesloten zijn. Als de man bijna thuis is, komt een vrouw hem tegemoet die tegen hem aanstoot. Hierdoor breekt het flesje met medicijn. Zijn vrouw vertelt hem dat een vriendin van haar, die altijd veel belangstelling voor het zieke kindje toont, net was vertrokken. Tijdens het verbranden van de kruiden van de duivelbanner wordt er aan de deur gerammeld, even later horen ze vreselijk kattengejank. De volgende dag weet de hele stad wat er gebeurd is, en wordt de vriendin ervan verdacht een heks te zijn, Haar man bespiedt haar en ontdekt dat zij een popje bezit waarin zij naalden steekt. De man neemt haar het popje af en verbrandt het. De vrouw kermt van pijn en als het popje helemaal verbrand is, is de vrouw dood

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 161-165

Motief

G263.4 - Witch causes sickness.    G263.4 - Witch causes sickness.   

D2063.1 - Tormenting by magic.    D2063.1 - Tormenting by magic.   

D978 - Magic herbs.    D978 - Magic herbs.   

G249.7 - Witches go through keyholes.    G249.7 - Witches go through keyholes.   

G250.1 - Man discovers his wife is a witch.    G250.1 - Man discovers his wife is a witch.   

G257.1 - Burning object forces witch to reveal herself: sympathetic magic.    G257.1 - Burning object forces witch to reveal herself: sympathetic magic.   

Commentaar

Onderdeel van het hoofdstuk "Tooverheksen en duivelbanners".

Plaats van Handelen

Bolsward    Bolsward   

Hoog    Hoog   

Witheerensteeg    Witheerensteeg   

Sneekerpoort    Sneekerpoort   

Hengstepad    Hengstepad   

Jongemahuis [ook wel: Hooghuis]    Jongemahuis [ook wel: Hooghuis]   

De Valk [herberg]    De Valk [herberg]   

Kloekenummer in tekst