Vroeger woonde er een tovervrouw in Veen. Ze zat bij het vuur en ze had allemaal kikvorsen in haar lichaam. Ze stampte met een stok en dan gingen de kikvorsen zo het vuur in.
Er werden allemaal mensen vermoord en iemand voorspelde dat de moordenaars geen natuurlijke dood zouden sterven. Dat is ook allemaal uitgekomen: de eerste is doodgeschoten en een ander is uit een boom gevallen en verdronken.
Er was een felle brand midden in het dorp en de brandspuit was toen nog niet veel. De brand bleef beperkt, omdat ze de pastoor erbij hebben gehaald en die heeft de wind omgeblazen.
Als er dauw boven de sloot hangt, of als er padden over de weg lopen of als er een druppel aan een aronskelk hangt, zijn allemaal voortekenen dat er regen aankomt.
In Boerderooien kon de boot niet verder, terwijl de machine wel ging. Toen kwam er een vrouw en zei dat ze er een klosje garen in moesten gooien. En toen deed hij het weer.
Mijn grootmoeder ging de koeien melken, maar er kwam geen melk uit. De emmer stond vlakbij, maar ineens was die weg. En toen ze het later weer zagen staan, was het niet meer te tillen.
Een vriend van mijn vader was van het goede spoor geraakt. Die vriend vertelde later dat hij elke nacht uit bed geklopt werd, en als ie dan buiten kwam werd hij in elkaar geslagen. Later ging hij naar de geestelijke en is hij ervan verlost.