De ik-persoon klaagt over zijn ongeluk. Hij heeft dan wel gestudeerd in Parijs, maar nu is hij niets meer dan een landloper. Volgens hem heb je meer aan geld dan aan Latijn. Ook is hij erg teleurgesteld, vanwege het onrecht dat hem is aangedaan.
Een meisje krijgt iets van een heks aangeboden en lijdt sindsdien aan de 'fieteldans' of Sint-Vitusdans. Zij wordt van haar waanzin genezen door de paters. Een geestelijke waarschuwt de vader om op de terugweg niet om te kijken. Op die terugweg…
Staan twee koeien in de wei.
Zegt de een tegen de ander: "'t Is toch wat, hè, die dolle koeienziekte..."
Zegt de ander: "'k Weet niet, als kip heb ik daar zo geen last van..."