Op een spookplaats rent een plaagbeest rond. Het dier lijkt op een dikke, zwarte hond met grote ogen en oren. Ook een weerwolf wordt op die plaats gesignaleerd.
Een vrouw - echtgenote van een weerwolf - wordt plotseling in haar rode, wollen rok gebeten. Haar man moet als weerwolf regelmatig ergens in bijten. Rood garen prijkt in zijn kiezen. Vooral in rode wol zetten weerwolven graag hun tanden.
Een weerwolf kan zich - bij ruzie of een slecht humeur - gedragen als een wild dier. In een dergelijke bui moet een weerwolf iets verscheuren: een mens of eventueel een zakdoek.
Een van zeven zonen is een weerwolf. Men moet nooit ruzie krijgen met een weerwolf, want dan maakt hij je dood.
Een meisje naaide altijd bij andere mensen. Haar vrijer vroeg haar eens om een zakdoek. Ze gaf het hem, en buiten verscheurde hij het…
Van zeven jongens is de jongste een weerwolf. Een man was eens dronken en ging onder een bruggetje liggen. De eerste die langs kwam, stak hij met een mes. Hij zag er uit als een wild beest. Het was een weerwolf.
Een van zeven opeenvolgende dochters is een nachtmerrie. Die kunnen door het sleutelgat bij mensen in huis komen. Een van zeven opeenvolgende zonen is een weerwolf.
Man vraagt aan zijn verkering om een zakdoek, en verdwijnt daarmee. Bij terugkomst hangen rode draden van de zakdoek tussen zijn tanden. Hij bekent een weerwolf te zijn die af en toe iets moet verscheuren, en had om een zakdoek gevraagd om haar niet…