Een vrouw die altijd boter bij de moeder van de verteller kwam halen, werd de toverheks genoemd. Mensen waren bang voor haar, maar ze deed niemand kwaad.
Een jongen was bij zijn vriendinnetje geweest en toen werd hij door zeven, acht zwarte katten thuisgebracht. De jongen ging natuurlijk niet meer naar dat meisje toe, want ze kon iets dat niet behoorlijk was.
Henk van Zoele[n] woonde bij een heks en toen kreeg hij 's nachts wel eens last van de nachtmerrie: een benauwd gevoel in zijn borst. Toen hij zijn sokken kruislings voor het bed legde, was het over.