In Langerak was het vroeger zo erg gesteld met de tovenarij, dat sommige mensen, als ze ergens anders waren, niet durfden te zeggen dat ze uit Langerak kwamen. Want dat betekende zoveel als dat je aan de vrije kunsten deed.
Als de haas op zijn achterpoten ging staan, kon hij niet geraakt worden door de schoten van de stropers. Dan moest er een zilverstuk in de loop gedaan worden.
Vroeger was er een oud jodenvrouwtje. Een best mens, maar wie haar niet kende, noemde haar een heks. Om zich los te maken van de wereld, werd het lichaam van dat vrouwtje, toen ze gestorven was, van de trap gegooid.
Als vroeger de karn niet af wou komen, dan was die betoverd. Dan moest je er een hand zout in doen. En als de koeien op stal moesten, werd onder de graszoden zout gestrooid, dan zouden ze het kalf niet verleggen.
De weerwolf, dat is iets in de staart van een paard. Een smid in Gelderland deed daar wat aan, strijken of iets dergelijks. Dan was het paard weer beter.