Er waren vroeger ook vrouwtjes die gingen bedelen. En bij de gierige boeren hield de een de boer aan de praat, terwijl de ander om de karn heen liep. Dan kon de boer drie weken niet karnen.
Als vroeger de karn niet af wou komen, dan was die betoverd. Dan moest je er een hand zout in doen. En als de koeien op stal moesten, werd onder de graszoden zout gestrooid, dan zouden ze het kalf niet verleggen.
Vroeger had je toverheksen. Kinderen werden er van weggehouden. Ze zorgden ervoor dat de karn betoverd was en dat mensen slechte kaas maakten. Heksen zijn gevaarlijk, vooral bij zuivel en vlees.
De betoverde karn, dan kreeg je nooit boter. Een gloeiend ijzer moest je er indoen, dan liep die toverheks, die dat veroorzaakt had, die liep dan de volgende dag met een doek om haar hoofd.
In Gouderak werd wel eens gesproken van betoverde karn. Als ze zo de hele dag moesten karnen en de karn kwam maar niet af, zeiden ze dat er een heks in zat.