In Mielen verschenen 's nachts dwaallichtjes. Omdat men vertelde dat dwaallichtjes de zielen van doden waren, durfde niemand daar in de buurt te komen.
Een man die op een avond naar huis kwam, floot naar de vuurman. Daarop volgde de vuurman de man tot hij thuis was. De man was net binnen toen de vuurman hem had ingehaald. De volgende dag stond er een hand in de poort van de schuur gebrand.
Een man die naar de vuurman had gefloten, had vooraf gezegd dat men de deur voor hem moest openhouden. Toen de man thuiskwam, stond er een hand in de deur gebrand.
In Rummen spookte het. Omstreeks middernacht reed daar een brandende koets door de straten. De man die in de koets zat, sloeg voorbijgangers met een brandende koperen zweep.
In een vochtige weide waar salpeter was, verscheen soms een dwaallichtje. Dat lichtje steeg op uit een put. In de gedaante van een bol vloog het dan naar een boom.
Een man die met zijn vader naar Waremme ging, zag een regen van sterren. Een lichtje dat de hele tijd aan en uit ging, liet vonken vallen, die in de lucht bleven zweven.