Praam van Snekers die klok hebben gestolen, zinkt naar de bodem van meer. Op die plaats hoort men de klok nog luiden. Snekers krijgen de naam klokkedieven.
Koster antwoordt als grap op opmerking van buurvrouw dat de klok moet worden gesmeerd, dat hij dat zal doen als ze is gestorven. Als hij veel later de klok heeft gesmeerd hoort hij dat de buurvrouw die ochtend is overleden.
Als van de kar met de geroofde kerkklok de as breekt, verzinkt de klok in de bodem. Bij pogingen om de klok naar boven te halen zinkt de klok steeds dieper weg. In de kerstnacht om middernacht luiden de klokken.
Wanneer men door een gaatje in een spaantje hout tuurt, kan men klabouters waarnemen. Dit hout moet op Sint Jansavond, onder het klokluiden uit een boom gehouwen zijn.
In de jeugd van de informant gingen de vrouwen bij een begravenis gehuld in een lang, zwart regenkleed. Dit gebeurde met de achterliggende gedachte dat de boze geesten ze dan niet konden zien.