De weerwolf was in de streek van de verteller geen manwolf, zoals hij elders vaak wordt voorgesteld, maar iemand die ’s nachts eenzame reizigers besprong en zich op hun rug liet meedragen.
Langs een smalle weg waar veel braamstruiken en boomstronken stonden, zat vaak een weerwolf die zich door voorbijgangers liet dragen. Wanneer men dan niet snel genoeg ging, stampte de weerwolf zijn slachtoffer tegen de kuiten.
In een hoeve in Klein Membruggen woonde een man die bevriend was met een weerwolf. De weerwolf kwam 's avonds in de gedaante van een veulen hinnikend met zijn poten op de vensterbank liggen. Wanneer de man kwaad was, kon hij de weerwolf gemakkelijk…
Een meisje uit Kleine-Spouwen had een relatie met een jongen over wie men vertelde dat het een weerwolf was. De jongen moest om middernacht altijd weg. Toen de jongen terugkwam, had hij de vezels van een rode zakdoek tussen zijn tanden. Daardoor…
Een meisje wist niet dat haar vriend een weerwolf was. Tijdens een wandeling zei de jongen plots: "Ik moet even weggaan, want mijn tijd is gekomen". Toen de jongen een half uur later terugkwam, zag het meisje dat hij de vezels van een zakdoek…
Een man trapte tijdens het lopen per ongeluk op zijn hark, die daardoor met de steel in zijn nek sloeg. De man was er van overtuigd dat een weerwolf hem had aangeraakt en vluchtte weg.