Vroeger ging men in de hagen vaak uitgeholde bieten met kaarsen zetten, opdat voorbijgangers zouden denken dat ze een stallicht zagen. Men geloofde dat stallichten de zielen van ongedoopte kinderen waren.
Jan was samen met Ribus een lading ijzerzandsteen naar Ham gaan brengen. Op de terugweg besloten de mannen een dutje te doen in de kar. Toen Ribus wakker werd, zag hij een groot licht boven zijn hoofd zweven. Omdat de man het licht al vaker had…
Boven moerassen en beemden zweefden vaak dwaallichtjes. Dat waren de zieltjes van ongedoopte kinderen. Wie een dwaallichtje zag, moest bidden tot het verdwenen was en naar de hemel ging.
Lowieke F. reed samen met Marie, een blinde vrouw, naar Scherpenheuvel. Toen in het broek tussen Zichem en Averbode plots een dwaallicht op het paard kwam zitten, zei Marie: "Steek de zweep eens in het water zodat je het lichtje kan dopen!" Daarop…
Dat waren kinderen, die gestorven waren zonder gedoopt te zijn. Ze kwamen terug in de vorm van lichtjes. De mensen die dat zagen, werden hierdoor van streek.
Dwaallichten zijn zielen van ongedoopte kinderen, of engeltjes met lichtjes die kijken wie zoet is, en duivels met lichtjes om stoute kinderen mee te nemen.