De alvermannetjes maakten zelf hun gereedschap met stenen en eikenhout. Een politieman die in Kozen en Wijer werkte, heeft ooit nog overblijfselen van dat gereedschap gevonden.
's Nachts verlieten de alvermannetjes hun onderaardse gangen. 's Ochtends wanneer het licht werd en de klokken begonnen te luiden, verdwenen ze weer onder de grond.
Een jongeman kwam 's avonds in een holle weg een klein mannetje met een rode baard tegen. Toen het dwergje om een aalmoes vroeg, gaf de jongen een stuiver. De jongeman heeft het dwergje in totaal driemaal ontmoet.
De alvermannetjes kwamen het werk van de mensen doen in ruil voor een bord boekweit. De dwergjes verbleven meestal op de zolder. Wanneer ze de oogst kwamen dorsen, zongen ze: "Ik heb zeven molenassen op één stam zien groeien".
De alvermannetjes woonden in een onderaardse gang onder het kasteel. De mensen zetten daar een tafel met honing en een 'waekôp'. In ruil voor het eten en drinken kwamen de alvermannetjes het werk doen.
Onder de Kerkberg woonde vroeger een familie alvermannetjes. Bij de afbraak van de kerk in 1850 werden de gangen van de alvermannetjes ontdekt, waardoor de dwergjes moesten verhuizen. De mensen vonden dat erg jammer, want ze waren gewend dat de…
De alvermannetjes kwamen bij de mensen de was doen in ruil voor voedsel. Als de alvermannetjes merkten dat ze bespied werden, zeiden ze: "Buiten brandt een kaars". Daarna bliezen de dwergjes de nieuwsgierige de ogen uit.