Volgens Jan D.D. was er in Wellen een veld waar geen enkel gewas op groeide. Het onvruchtbare veld werd 'de Dood' genoemd, omdat de bokkenrijders daar vroeger waren verbrand.
Noë V.D.B. was een verkoper die tussen Heks en Loon rondreed met twee zwarte paarden en die de mensen ging bestelen. Wie naar Loon ging en het wachtwoord kende, werd doorgelaten.
De drossaard lokte in burger twee bokkenrijders mee. Toen de mannen in een bootje de Maas overstaken, sprak de veerman plots: "Meneer de drossaard, uw jas hangt in het water!" Op dat ogenblik beseften de rovers dat ze met de drossaard de maken…
Drossaard E. trad streng op tegen de bokkenrijders, die in Peer bijeenkomsten hielden. De bokkenrijders en de binders werden opgesloten in onderaardse gangen onder de markt van Beringen.
Op een nacht kwamen de bokkenrijders stelen in een boerderij in Bennedaal. Hoewel de boer de rovers bedreigde met een bijl, kon hij ze niet tegenhouden. Enkele mensen die wat verderop op de Schans woonden, hadden echter lawaai gehoord en hebben de…
Een handelaar uit West-Rozebeke die terugkwam van de markt, ging binnen in een herberg waar hij met enkele anderen een kaartspel speelde. Wat de handelaar niet wist, was dat er in de herberg vier rovers van de bende van Bakelandt zaten. Toen de…
In West-Vlaanderen woonde een dokter die altijd slecht gekleed was, maar die over bijzondere krachten beschikte. Die dokter slaagde erin mensen te genezen die door andere dokters waren opgegeven. Een man uit Mesen die ongeneeslijk was verklaard,…
De bende van Pollet vertoefde vroeger in Veldegem. Pollet vroeg aan een boer of hij zijn kortwagen in de schuur mocht zetten. Hij deed dat om de boerderij te kunnen bestuderen ter voorbereiding van een inbraak.
Nolleke van G., de kapitein van de bokkenrijders, bezat een kleine herberg in Hasselt. Al wie lid wilde worden van de bokkenrijders, moest met bloed zijn handtekening zetten. Een meisje was verloofd met een jongeman die stiekem lid was van de…
In Kwaadmechelen kwamen de bokkenrijders 's nachts stelen. Ze hadden op de kerk het volgende geschreven: "We zijn met z'n achten, we stelen alle nachten, omdat we te lui zijn om te werken, bestelen we de kerken".
Toen Noë in het veld aan het werken was, kwamen er twee politieagenten voorbij, die zich als jagers hadden verkleed. De agenten vroegen aan Noë: "Heb jij geen haas gezien?", waarop de rover antwoordde: "Neen". Daarop zeiden de agenten: "Dan zal jij…
Een man uit Staden werkte samen met twee mannen uit Poperinge in de steenoven in Abele. 's Avonds gingen die twee mannen terug naar Poperinge en om drie uur 's ochtends om drie uur waren ze alweer terug. In die periode werden verschillende overvallen…
Op Siemkesheuvel werd een bokkenrijder opgehangen, die zijn pijp nog in de mond had. Toen de strop plots brak, ging de bokkenrijder snel zijn pijp oprapen en zei: "Verdomme, met zulk geklungel zou mijn pijp nog uitgaan!"
De bokkenrijders die op Oversteen vertoefden, reden vaak naar de Meerhoutse hoef. De rovers besloegen hun paarden achterstevoren, zodat het moeilijk was om te weten te komen waar ze naartoe waren gereden.
Twaalf rovers bestelden twaalf identieke hemden bij een kleermaker. De slimme kleermaker maakte echter nog een dertiende hemd voor zichzelf, zodat hij ongemerkt met de rovers mee kon gaan. Toen de kleermaker het fijne van de zaak wist, ging hij de…
Het dorp Godsheide werd gesticht door de bokkenrijders. De rovers kwamen terug van Scherpenheuvel en besloten wat uit te rusten op een groene plaats tussen Hasselt, Genk en Diepenbeek. Dat werd het dorp Godsheide.
De bokkenrijders braken in Beverbeek een kapelletje af om er een schuur in de plaats te bouwen. Op de plaats waar het kapelletje stond, bloeien dag en nacht drie rode rozen.
Een jongen die de bende van Pollet in zijn huis had zien inbreken, had gezien dat één van de rovers een stokje vasthield. Na de inbraak kwam de veldwachter van Poperinge de jongen twee stokjes tonen en hem vragen wat voor stokje het was. Na die…