Bij de Stereik in Anzegem kwamen alle teruggekeerde doden bijeen. Men zag er allemaal lichtjes, katten, honden, paaltjes en witte planken. Om middernacht gingen de doden naar de plaats waar ze moesten gaan spoken.
Koob van de schoenmaker moest na zijn dood komen spoken. Omdat Koob altijd een goed mens was geweest, wist niemand wat het spook wilde. Op een dag zagen enkele mensen het spook naar een winkel in de buurt gaan. Koob had in die winkel namelijk een…
In Strombeek-Bever zou ooit een witte of een zwarte madam hebben rondgelopen. In Meusegem (Wolvertem) liep een grote madam rond, die altijd onder een boom ging staan. Het gezicht van die vrouw kreeg men nooit te zien.
Vroeger waakte men de hele nacht bij een dode. Wanneer de kaarsen die rond het lijk stonden, doofden zonder dat ze waren opgebrand, dan liep iedereen naar buiten. Het was immers een teken dat de dode weer levend zou worden.
Een man ging 's avonds met een laken over zijn hoofd in de haag zitten om de mensen bang te maken. Op een avond besloten enkele mannen het spook eens een flinke afranseling te geven. Wanhopig riep de man: "Hou op, hou op, ik ben het! Ik ben het die…
Op het Hobos, waar de drossaard had gewoond, stonden nog veel galgen waaraan onschuldige mensen waren opgehangen. Het spook van de drossaard was verbannen naar een brug tussen Kerkhoven en 't Kamp. Een meisje dat over de brug wandelde, hoorde…
Twee zussen woonden samen in één huis. Eén van de zussen was gestorven. De derde dag dat de overleden zus opgebaard lag, hoorde de andere zus de dode vrouw zeggen: "Het is toch wreed, ik geraak maar niet dood!" Daarop antwoordde de andere zus:…
In een haag in Diepenbeek spookte het. Op een dag sloeg een dappere man het spook dood. Het bleek een dorpsbewoner te zijn, die zich met een koeienvel als spook had verkleed.
Stalkaarsen waren lichten die men 's avonds in de stal of op het veld zag, en die de mensen volgden. Sommigen geloofden dat stalkaarsen de zielen waren van mensen die na hun dood waren teruggekomen omdat ze nog iets moesten zeggen. Men mocht niet…
Een zekere Pier beweerde bij hoog en bij laag dat spoken en heksen bestonden. 's Nachts hoorde Pier altijd lawaai op de zolder. Toen het raampje openstond, hoorde hij iets vallen. Ondertussen leek men te roepen: "Hulp, hulp! Dat waren verdwaalde…
Op een boerderij in Ledegem waren twee poorten. Als een dier met gespleten hoeven langs één van die poorten naar binnen ging, viel het dood. 's Nachts hoorde men geluiden alsof er boter werd gekarnd en kuipen werden gespoeld.
De grafdelver had een weddenschap gesloten, waardoor hij 's nachts op het kerkhof moest blijven. Toen de man iets wits van de muur zag vallen, geloofde hij dat het een teruggekeerde dode was.
Naar stalkaarsen of dwaallichten mocht men niet wijzen, want dan kwam het licht naar de persoon door wie het was uitgedaagd. Sommigen beweerden dat dergelijke lichtjes teruggekeerde heksen waren; volgens anderen waren het de zielen van ongedoopte…
Een man uit Rutten kon 's nachts niet slapen omdat zijn overleden zus in zijn kamer kwam spoken. Het spook sprak tot de man: "Je moet voor mij bidden, of ik laat je niet met rust". Sindsdien heeft de man veel gebeden, waardoor hij wel kon slapen.
Op een dag kwam Frans R. bij het kapelletje in Russelt. Hij zag een non zonder hoofd, die helemaal in het zwart was gekleed. Toen Frans dichterbij kwam, sprong de non over de haag en verdween.
Een weduwnaar uit Menen zag iedere avond een bol langs de trap naar beneden gaan. Het was de geest van zijn overleden vrouw die kwam aanwijzen waar het geld verborgen lag. De pastoor beweerde dat de geest aan een draadje in het vagevuur hing.