Kludde was een grapjas die met een ketting rammelde om de mensen in het donker bang te maken. Soms gebeurde het dat mensen die 's avonds laat op pad waren, Kludde moesten dragen. Een man die uit een herberg in de Kareelstraat kwam, had Kludde bijna…
Een varkensslachter kwam een grapjas tegen, die zich als spook had verkleed. Toen de slachter zijn bijl bovenhaalde, riep het spook: "Stop, stop, ik ben het!"
Een man ging 's avonds met een laken over zijn hoofd in de haag zitten om de mensen bang te maken. Op een avond besloten enkele mannen het spook eens een flinke afranseling te geven. Wanhopig riep de man: "Hou op, hou op, ik ben het! Ik ben het die…
Vroeger liep men vaak heen en weer met een uitgeholde biet waarin men een kaars had gezet. Als mensen iemand een lucifer zagen aansteken, geloofden ze soms al dat ze een stalkaars hadden gezien.
Vroeger maakte men de kinderen bang door verhaaltjes over de duivel te vertellen. Een man die iemand voor de gek wilde houden, had een vriend de opdracht gegeven om zich te verkleden als een duivel met bokkenpoten en om in die gedaante door de…
Men geloofde dat Kludde met zijn keet een hond was, maar in werkelijkheid was het een mens die op handen en voeten rondliep met een bel rond zijn nek om anderen bang te maken.
Een timmerman had twee nagels in zijn jaszak, waarvan de voering was gescheurd. Onderweg hoorde de man het gerinkel van de nagels. Hoe sneller de man liep, hoe sneller de geluiden elkaar opvolgden. Daardoor werd de man zo bang dat hij bij zijn…
Een jongen uit Halle speelde ’s avonds met een laken over zijn hoofd voor spook. Toen de jongen door enkele mannen was afgeranseld, heeft hij nooit meer voor spook durven spelen.
Een dronkaard uit Bogaarden die naar Heikruis is verhuisd, was 's avonds erg bang. Toen de redemptoristen ter gelegenheid van de missie tien dagen in Heikruis verbleven, werd de dronkaard het slachtoffer van farçeurs, die met een laken over hun hoofd…
In 't Oenzeniertjesbus kwam 's avonds een doodkaars terug. Wel honderdvijftig of tweehonderd mensen kwamen naar de doodkaars kijken. In werkelijkheid was het een lantaarn op een stok waarmee één of andere grapjas de mensen bang wilde maken.
In de wallen zaten waterduivels die de mensen bang maakten. In werkelijkheid waren het grapjassen die met water gooiden of die kaarsen met uitgeholde rapen in het midden van de weg hadden gezet.
Weerwolven waren grapjassen die zich met een berenvel hadden verkleed. Een vrouw die door een weerwolf werd aangevallen, gooide haar zakdoek naar de muil van het dier. De volgende dag zag die vrouw een man die de vezels van de zakdoek nog tussen zijn…