Vroeger zag men 's avonds in de buurt van moerassen vaak glimwormpjes die in de vorm van een bol bij elkaar zaten. Soms bewogen de glimwormpjes zich door het bos van het ene moeras naar het andere of vlogen ze wel tien of vijftien meter hoog. De…
Een man die op een avond naar huis kwam, floot naar de vuurman. Daarop volgde de vuurman de man tot hij thuis was. De man was net binnen toen de vuurman hem had ingehaald. De volgende dag stond er een hand in de poort van de schuur gebrand.
Mensen die 's nachts naar huis gingen, zagen vaak vuurschoffers op de grond liggen. Wanneer ze die vuurmannen aanraakten, sprong het vuur omhoog en vlogen de vonken in het rond.
De vuurman was een vuurbol die de vonken van zich af schudde. Wanneer men de vuurman met rust liet, dan deed hij niemand kwaad. Wie echter naar de vuurman had gefloten, moest rennen voor zijn leven.
Toen de vader van Jaanke in het bos een vuurman zag verschijnen, haalde hij zijn geweer boven. Nadat de man naar de vuurman had geschoten, was de lichtgevende verschijning verdwenen. Een vuurman was in feite salpeter dat uit de grond kwam.
De vuurman vloog over een huis en schudde vonken van zich af. Nadat iemand naar de vuurman had gefloten, hoorden de bewoners van het huis een luide slag. De vuurman had zijn hand in de deur gebrand.
Enkele mannen die 's ochtends naar het bos reden, kwamen in de weide de vuurman tegen. Toen de vuurman naderde, hielden de mannen met hun kar halt. Zo ging de vuurman stilletjes voorbij.