In de struiken zette men soms een uitgeholde biet of raap waarin men een kaarsje had gezet. Voorbijgangers dachten dan dat het een mensenhoofd was en liepen bang weg.
Vroeger zette men soms een uitgeholde biet met een kaars in een struik om de mensen bang te maken. Soms gingen de mensen ook op het kerkhof voor spook spelen.
Kato had aan een vrouw uit de buurt drie bieten gegeven voor de koe. Omdat de vrouw de heks niet vertrouwde, begroef ze de bieten op het veld. De volgende dag waren de bieten merkwaardig genoeg spoorloos verdwenen. Een week later lag één van de…
Een boer reed met een kar bieten door Oostkamp. Een tovenaar die de boer zag rijden, sprak tot de man: "Jij zal niet thuis geraken. De kar zal omkantelen". Wat verderop kantelde de kar met de bieten inderdaad om.
Een stalkaars was een uitgeholde biet of raap waarin men een kaars had gezet. 's Avonds trokken grapjassen met zo'n stalkaars en met een laken over hun hoofd door de straten om anderen bang te maken.
Vroeger zagen de mensen overal spoken. Als een grapjas met een uitgeholde biet en een kaars op het kerkhof ging staan of in een boom ging zitten, geloofden de mensen dat het een doodskaars was.
Een stalkaars was een kaars die brandde en bewoog. Toveressen konden stalkaarsen doen bewegen.
In werkelijkheid waren stalkaarsen echter vaak uitgeholde bieten waarin men een kaars had gezet, en die men op een stok in het veld had geplaatst.
De toveressen van de Malheide liepen rond met rode doeken op hun hoofd. Ze gingen vaak met stalkaarsen achter kapellen zitten. Die stalkaarsen waren uitgeholde bieten met kaarsjes in. Wanneer de toveressen op pad waren, moest iedereen binnen blijven.…
Een dwaallicht was een kaars in een biet die men had uitgehold in de vorm van een gezicht of een doodshoofd. Wanneer het donker was, zette men die biet buiten om de mensen bang te maken.
Vroeger waren er mensen die een uitgeholde biet met een kaars in het veld of op een verlaten kruispunt zetten. Voorbijgangers geloofden dan dat ze een stallicht hadden gezien en liepen snel weg.
Een stalkaars was een uitgeholde biet waarin men een kaarsje had gezet. Als het donker was, zette men dat kaarsje in het struikgewas. Voorbijgangers liepen dan haastig weg, om wat verderop te vallen over een koord die men voor de grap over de weg had…
Een knecht zette een kaars met een uitgeholde biet langs de kant van de weg wanneer hij wist dat er 's avonds iemand zou voorbijkomen. Voorbijgangers geloofden dan dat ze een stallicht hadden gezien.
Stalkaarsen waren uitgeholde bieten waarin grapjassen een kaarsje hadden gezet om voorbijgangers bang te maken. Meestal werden zulke bieten in donkere straten of langs afgelegen wegen gezet. Naar een stalkaars mocht men niet wijzen, want dan kon men…
Als een vader niet wilde dat een bepaalde jongen zijn dochter het hof maakte, dan verkleedde hij zich 's avonds of 's nachts met een laken, een ketting en een uitgeholde biet als Kludde om de jongen in kwestie bang te maken.
In Bellingen zou ooit een vrouw hebben gewoond, die ervan werd verdacht een toveres te zijn. Een man ging op een zaterdag in het café kaarten, terwijl zijn vrouw naar de naaister ging. De man had afgesproken dat hij zijn vrouw zou gaan ophalen. De…
Een stalkaars was iemand die in het veld stond met een uitgeholde biet, waarin een kaarsje was geplaatst. Bij een herberg in Bellingen had men een keer zo'n stalkaars gezet. De mannen die op zaterdag hun baard gingen laten scheren, moesten daar…