Bij het kapelletje op de hoek van de Beverstraat en de Mechelstraat zetten de kinderen vaak een uitgeholde biet met een kaarsje op de haag om voorbijgangers bang te maken.
Vroeger gebeurde het vaak dat kinderen kaarsjes in een uitgeholde biet zetten, zodat de mensen zouden denken dat het stallichten of dwaallichten waren.
In de herfst en de winter was het vroeg donker. Grapjassen liepen dan vaak rond met een stok waarop ze een uitgeholde biet met een kaars hadden vastgebonden. Zo wilde men de mensen in spoken doen geloven.
Een man wandelde bij maneschijn door de Bouquetstraat, toen hij plots een kikvors uit de bieten zag komen. De man stampte naar de kikker. Het volgende ogenblik verscheen er een kat tussen de bieten. Het moest een heks zijn geweest.
Met Sint-Maarten liepen de mensen met brandende strohalmen langs de boerderijen en de boomgaarden om het volgende jaar veel fruit te hebben. Soms hingen ze ook uitgeholde bieten met een kaars in een boom.
Een stallicht was een omgekeerde bloempot of een uitgeholde biet waarin men een kaars had gezet. Zulke 'stallichten' zette men dan op een hoek van een haag om de mensen bang te maken.
Vroeger zette men soms uitgeholde bieten met kaarsen langs de weg om voorbijgangers bang te maken. Sommige mensen verkleedden zich met een laken over hun hoofd als spook.
In Waterschei woonde een weerwolf die een halsband had. Als men de halsband kon verbranden, dan was de weerwolf verlost.
Er was ook een weerwolf die een laken over zich hing en de bieten van de boer kwam stelen.
Enkele jongens hadden een laken over zich heen gehangen en een kaars in een uitgeholde biet gezet. In die gedaante gingen de jongens langs de weg naar het station zitten om voorbijgangers bang te maken.
Op een boerderij had men één koe, waarmee de kinderen gingen wandelen om het dier te laten grazen. Een winkelierster die ervan werd verdacht een toveres te zijn, had een bussel bietenbladeren aan de koe gegeven. De boerin vertrouwde die vrouw echter…
Een boerin trof in haar varkenshok altijd een vrouw aan, die daar met een bietenblad zat. Omdat het varken niet wilde groeien, liet men de veearts komen. Het varken moest geslacht worden. Toen dat was gebeurd, tof men allemaal knopen in de darmen van…
Vroeger legden de mensen een bussel stro en een gesneden biet op de dorpel van de stal. Na Kerstmis liet men de dieren het stro en de biet opeten. Als men dat niet deed, werden de dieren ziek door hekserij.
Een stalkaars was een uitgeholde biet waarin men een kaars had gezet. Naast de kaars zette men enkele stukjes van een oude spiegel om de kaarsvlam te weerkaatsen. Zulke farçeurstrucs haalde men uit om dronkaards de stuipen op het lijf te jagen.
Omdat er vroeger geen straatverlichting was, waren er veel farçeurs actief. Zo zette men soms een kaars in een uitgeholde biet of verkleedde men zich met een wit laken als spook. De mensen geloofden vaak dat ze Kludde met zijn keet hadden gezien.