Wanneer de kleermaker van Oreye 's avonds naar huis kwam, liep er altijd een schaap met hem mee. Het schaap probeerde de man altijd in een afgrond of in een mergelput te leiden.
Roesschaert was een watergeest waarvoor de mensen erg bang waren wanneer het stormde. Roesschaert kon zich in een klein kindje veranderen en zich in die gedaante door de mensen laten dragen. Hij werd dan steeds zwaarder en zwaarder.
Enkele kinderen gingen na school samen naar huis door de korenvelden. De kinderen waren altijd erg bang omdat hun moeder hen had gewaarschuwd voor het korenmannetje dat zich in de velden verschool en alle stoute kinderen met zich mee nam.
Een man die op Allerheiligen met enkele vrienden was gaan kaarten, wandelde naar huis. De man was nog maar net vertrokken toen er plots een spook in zijn nek sprong. Even later was het spook verdwenen.
Bij de Brabantschool in Poperinge was een straat waarlangs twee hoge hagen stonden. Die straat werd 'de ekkerdreef' genoemd. Kinderen mochten van hun moeder niet in die straat komen, want de 'ekker' zat daar. Dat was een wezen met een lange ketting.…
Vroeger gebeurde het soms dat late wandelaars werden besprongen door een hond. Net zoals een weerwolf liet die hond zich dragen. Wie driemaal een dergelijke hond had moeten dragen, stierf kort daarna.
Waar nu het dorpje Gotem ligt, was vroeger een groot bos, dat men het Appelarenbos noemde. Iedereen wist dat in het Appelarenbos geesten ronddwaalden. De grote geest Mjas was hun meester. Er werd verteld dat de geesten 's nachts uit het bos…
Het gerinkel van Klerre met zijn keet kon men in het bos vaak horen. Een man die op een ochtend met zijn huid vol doornen werd gevonden, beweerde dat hij Klerre had moeten dragen. Mensen die zo'n duivel moesten dragen, waren helemaal bezweet. Later…
Er heerste grote angst voor de plaaggeest Roesschaert, die van gedaante kon verwisselen en heel groot kon worden. Mensen die zich met toverij bezighielden, waren haast altijd vrouwen.
Enkele kinderen werden door hun moeder gewaarschuwd voor de havermannetjes, die zich verscholen in de hoopjes gemaaid haver en die stoute kinderen met zich meenamen.
Een man die 's avonds terugkwam van een hoeve, werd bij een kruispunt door iets besprongen. De last in zijn nek woog zo zwaar dat de man moest wachten tot de plaaggeest weer weg was.
Onder de brug op de weg naar Gotem huisde een spook dat de wagens van de voorbijrijdende boeren omgooide. Wanneer de wagen na veel moeite weer was omgekeerd, gooide het spook het rijtuig vaak opnieuw om. Uiteindelijk liet men een pater komen om het…