Een boer ging met de nachtboot naar Engeland. Een Engelsman aan boord zei tegen hem: "A fine light night." De boer antwoordde: "Nou, dan weet ik het ook 'nait'." Daarop vroeg de Engelsman: "What do you say, sir?" De boer werd boos en zei: "Wat doe je…
Een schipper had een papegaai. Op een keer was het schip lek, en een hele tijd achter elkaar zei de schipper: "Pompen, bliksem!" De papegaai zei de schipper dit na een tijdje na. Toen de schipper eens geldgebrek had, verkocht hij de papegaai aan een…
Een visser woonde met zijn dochter op een aak. Hij zette nogal eens mensen over. Op een keer was hij er niet. Iemand riep van de overkant dat hij overgezet wilde worden, en de dochter van de schipper vaarde naar de overkant. Maar daar aangekomen…
Op een bepaalde plek was een een Duitser vermoord. Hij spookte daar sindsdien als de Langesleatterman. De schippers durfden op die plek hun schip niet aan te leggen. Als ze dat toch deden, raakte het schip altijd vanzelf weer los.
Een schipper stak eens per ongeluk het schijthuisje, dat boven het water stond, op zijn klifelstok. De man op de wal trok toen het hele schip op de wal en liet de schipper betalen, zodat hij een nieuw huisje kon maken.
Sommigen hoorden eens een stem uit een meer zeggen: "De tijd is vervuld en de man is er niet." Even later is er toen een vaartuig omgeslagen, en degene die erin zat is verdronken.
Mensen beweerden dat een hele sterke schipper niet alleen een vat van 300 pond op het dek kon zetten. Het lukte de schipper toch, en hij kreeg een fles jenever. De kappen van zijn klompen waren onder het gewicht gebarsten.
Op een keer was de overvaarder niet thuis en zijn dochter bracht een man met de aak naar de overkant. Maar de passagier was de Langesleatterman. Toen hij uitstapte, sloeg het bootje om en is het meisje verdronken.
Op een bepaalde plek legden schepen zo min mogelijk aan, omdat het daar 's nachts spookte. Dan werd er een boom omgegooid, of er gebeurde iets anders, terwijl er niets te zien was.
Een man probeerde eens een praam voort te bewegen, maar hij hield de boom tegen de binnenkant van het vaartuig, in plaats van tegen de wal. Daardoor bleef de praam op dezelfde plek liggen.
Een man had eens een hele grote snoek aan zijn hengel. De vis trok hem in zijn bootje voort. Pas toen de snoek moe was, kon de man hem aan de kant krijgen om hem klaar te maken. De emmer was al vol toen nog maar de helft van de kop van de snoek erin…
Een vrouw, die met de helm geboren was, voorspelde eens dat een trekschip die dag een lijk bij zich zou hebben. Inderdaad kwam er die avond een trekschuit met de vlag halfstok aan.
Iemand die op zee ziek wordt, wordt aan de wal niet meer beter. De zee wil geen zieke mensen hebben. Zij sterven wel op zee, maar worden niet meer beter.
Op Ameland woonde vroeger een afgrijselijk sterke man. Hij woog 265 pond. Zijn armen waren zo groot als billen. Tonnen met haring van 300 pond, die altijd door vijf man werden verplaatst, tilde hij alleen op.
Een man kwam eens dronken bij het graf van zijn vriend. Hij spotte dat hij veel liever in de zee zou liggen dan hier op het kerkhof. Niet veel later was hij aan het vissen op zee. Het was windstil, maar toch raakte hij te water. De mensen gooiden hem…
Een middenstander, een PvdA-er en een communist waren eens aan het vissen. Er kwam een storm op, en de boot sloeg om. De communist had zo'n grote bek, die verdronk meteen. Toen sloeg de klok twaalf uur, en de PvdA-er zei dat hij zich om twaalf uur…
Een vissersman stond eens dronken bij het graf van zijn vriend te vloeken en te schelden. Hij zei: "Wat lig je hier toch te stinken? Ik zou veel liever twintig voet diep in de zee liggen." De keer daarop dat de visser weer op zee was, viel hij in het…