Met Allerheiligen en Allerzielen plaatsen de kinderen vaak kaarsjes in rapen, die ze dan in hagen zetten. Mensen die zo'n raap zagen staan, liepen bang weg.
Stalkaarsen waren meestal glimwormpjes of uitgeholde rapen waarin men een kaars had gezet. Men stak die rapen op een stok en liep er 's avonds mee rond om de mensen bang te maken.
Vroeger maakte men de kinderen vaak bang door hen wijs te maken dat het spookte op een weggetje in Vlijtingen. Toen iemand de kinderen had gerustgesteld door te zeggen dat dat allemaal niet waar was, speelden twee ongehuwde vrouwen met een wit laken…
Een negenjarig meisje dat te lang bij haar vrienden was gebleven, zag op haar weg naar huis bij de Termerenstraat een witte verschijning. Het meisje haastte zich naar huis zo snel ze kon. De farçeur was iemand die ervoor wilde zorgen dat het meisje…
Een doodkaars was een uitgeholde raap met een kaars erin. Soms zwaaide men ook heen en weer met een stok waarop men een zwijnenblaas had gestoken. Bij de Watermolen werd een jongen bang gemaakt door dergelijke grappenmakers.
In de herfst en de winter was het vroeg donker. Grapjassen liepen dan vaak rond met een stok waarop ze een uitgeholde biet met een kaars hadden vastgebonden. Zo wilde men de mensen in spoken doen geloven.
Een grafdelver liep bij schemerdonker altijd met een wit laken over het kerkhof om de mensen bang te maken. Op een dag had een man de moed om het spook met een ketting af te ranselen. Sindsdien spookte het niet meer op het kerkhof.
Een vrouw kroop 's avonds in een boom met een laken over haar hoofd om de mensen bang te maken. Veel mensen durfden niet voorbij die boom te wandelen, omdat ze geloofden dat er een spook zat.
Een man die nergens bang voor was, werd het slachtoffer van een grap. Toen de man voorbij een waterput wandelde, trok een grapjas stiekem een ketting uit de put. De man geloofde dat hij de waterduivel had gehoord en durfde haast niet meer te bewegen.
Vroeger gebeurde het weleens dat een vrouw van ellende in de waterput sprong. Twee vrouwen die water gingen halen, werden bang gemaakt door een grapjas die zich tussen de vlierbomen rond de put had verscholen.
Vroeger zetten de kinderen soms uitgeholde rapen met een kaars in de haag, zodat de mensen geloofden dat het op die plaats spookte. Zulke lichtjes werden stalkaarsen genoemd.
Met Sint-Maarten liepen de mensen met brandende strohalmen langs de boerderijen en de boomgaarden om het volgende jaar veel fruit te hebben. Soms hingen ze ook uitgeholde bieten met een kaars in een boom.
Een man die in het donker naar huis wandelde, werd besprongen door een grapjes die zich voordeed als Klerre met zijn keet. De man heeft de grapjas naar huis moeten dragen.
Een jongen die beweerde dat hij nooit bang was, nam desondanks altijd een stok mee wanneer hij ergens naartoe moest. Op een dag had iemand zich met een laken over zijn hoofd als spook verkleed om de jongen bang te maken. Toen de jongen het spook…
Tijdens de eerste wereldoorlog geloofden de mensen dat het op het kerkhof van Beegd (?) spookte. Dertig of veertig jaar later is gebleken dat het vermeende spook een grapjas was, die zich met een wit laken over het hoofd als spook had verkleed.