Juffrouw Zonder Kop vraagt een herder om haar ’s nachts op een bosweg te ontmoeten. Daar moet hij een gouden sleutel uit de bek van een slang halen, maar de herder is bang en het mislukt. Op die plek is een kapelletje gebouwd.
van woensdag 19 september 1973 t/m maandag 17 februari 1975
In de Peel doen vele volksverhalen de ronde, mede door het vreemde, woeste landschap. Zo fietste er eens een man razend door het bos die dacht dat hij de duivel achterop zijn fietsendrager had, maar dat bleek een tak tussen zijn wielen te zijn.
Tijdens de jacht komt een man een kat tegen. De kat wil niet dat de man op vogels jaagt. De vogels zijn van de kat. De man is echter niet bang voor de kat en loopt gewoon verder. De hond van de man gedraagt zich wel angstig. De kat volgt de man en…
van dinsdag 29 mei 1962 t/m donderdag 07 juni 1962
Op een zondagavond hoort een man opeens een schot, en daarna gehuil en gejammer. Precies acht dagen later wordt op die plek per ongeluk een jongen doodgeschoten. Zijn vader hield van stropen en de jongen, vijftien jaar, ook. Hij zei tegen zijn vader…
van dinsdag 29 mei 1962 t/m donderdag 07 juni 1962
In Halle heeft ook iemand zich opgehangen. Men kon niet meer in dat huis zijn. Toen zijn ze voor advies naar de paters in Harreveld gegaan, terwijl ze protestant waren. De paters konden niet helpen. In Ruurlo was een pater die wel kon helpen. De…
Grootmoeder was meid bij Te Boveld. De jonge meisjes uit de buurt hielden daar eens een spinnevisite. Een waarzegster kwam hun toekomst voorspellen. Mina zou verkering krijgen, maar ze zou de man niet krijgen. Ze zou er wel een kind aan overhouden.…
Een man had een grote hond bij zich, die hij op een troep vogels afstuurde. Hij heeft de hond nooit meer gezien. Dat was vast spokerij, want de hond was opeens weg.
In Zieuwent woonde een sterke kerel, Nicolaas. Op de Haort woonde ook een sterke kerel, die wilde weten wie de sterkste was van de twee. In Zieuwent vroeg hij aan een man waar Nicolaas woonde. Die pakte de ploeg op en wees naar het huis. De man van…
In Rekken was ne vrouwe, dee hef naor den dood van eurn man nog staörug met um epraot. Zee heurn um iederbods. Den domenear kwam der bi’j en zea, dat ut onzin was, maor hee kon ut de vrouwe neet oet ut heufd praoten.