Een keizer die door het land trok, kwam voorbij een klooster met het opschrift: 'Wij leven hier zonder vrees'. De keizer besloot drie dagen later terug te komen om de kloosterlingen drie vragen te stellen. Toen de keizer drie dagen later terugkwam,…
Een vrouw nam uit angst altijd een stok mee wanneer ze boodschappen ging doen. Omdat de kinderen en de buren bang waren voor de vrouw met de stok, geloofden ze dat zij een toveres was.
Een herbergierster was bang voor een vrouw uit de buurt, die vaak bij haar in de zaak kwam. Toen de herbergierster een vriendin over die angst vertelde, sprak de vriendin: “Je hoeft niet bang te zijn voor die vrouw. Als je haar ziet, moet je zeggen:…
In Leopoldsburg kwamen vroeger drie oude mensen leuren met spelden en allerlei andere zaken. Omdat de dorpsbewoners bang waren voor die leurders, durfden ze hen geen hand te geven.
Een naaister was in dienst bij een echtpaar. De man, die al vijfentachtig jaar was, vertelde tijdens het eten altijd over toverij. Toen de man jong was, zag hij 's avonds altijd een vuur in de lucht, dat leek op een vliegende man. Wanneer de naaister…
Toen L. op een nacht naar Hasselt ging, zag hij onderweg een spook in de gedaante van een pastoor die hem in zijn nek blies. Dat spook kwam altijd uit de 'vishoek'. De man was zo geschrokken dat men hem een borrel moest geven.
Een man die 's avonds laat terugkwam van zijn werk, zag plots een vrouw die arm in arm met hem meeging. De man was doodsbang. Toen de man even later opnieuw keek, was de verschijning spoorloos verdwenen.
Een dronkaard uit Bogaarden die naar Heikruis is verhuisd, was 's avonds erg bang. Toen de redemptoristen ter gelegenheid van de missie tien dagen in Heikruis verbleven, werd de dronkaard het slachtoffer van farçeurs, die met een laken over hun hoofd…
Naast de 'kattenput' in Dikkebus zag men iedere nacht een lichtje in de boom zitten. Dat was een doodkaars. De mensen die daar in de buurt woonden, waren erg bang voor het lichtje.
Wanneer de mensen 's avonds door een holle weg gingen, waren ze soms bang bij het zien van een vreemd licht. Het licht was eigenlijk niets meer dan de weerkaatsing van het maanlicht op de werktuigen die men in het veld had laten staan.
Enkele vrouwen die in het bos hout moesten gaan hakken om bezems te maken, durfden niet alleen naar het bos te gaan. Daarom namen ze altijd een oude blinde man mee, die tegen een wilg ging staan terwijl zij aan het werk waren. Hoewel die man niet kon…
Een weerwolf was een bultenaar die met een dierenvel rondliep om de mensen bang te maken. Op een dag sprong er op een boerderij een weerwolf uit een biggenkooi.
In Mielen verschenen 's nachts dwaallichtjes. Omdat men vertelde dat dwaallichtjes de zielen van doden waren, durfde niemand daar in de buurt te komen.
Kludde met zijn keet was iets waarmee men de kinderen 's avonds bang maakte. Als men gerammel op straat hoorde, dan sprak men tot de kinderen: "Pas op, want Kludde met zijn keet komt eraan en die zal jullie meenemen!"
Sommige mensen moesten Klerre met zijn keet dragen. Een man uit Humbeek die 's avonds voorbij een kerkhof wandelde, meende iets te horen en versnelde zijn pas. Toen de man honderd meter verderop was, hoorde hij gerammel achter zich. Het geluid kwam…
Op een boerderij in Elingen stonden de koeien 's avonds te loeien. De koeien waren zo bang dat ze geen melk meer konden geven. Men liet de stal dan overlezen en besprenkelen met wijwater door de paters van Edingen. Daarna kwam er verbetering in de…
Een vrouwtje ging op kerstdag met haar ezeltje naar de kermis. Op de boek van het bos bleef de ezel altijd staan om vervolgens terug te draaien. Opeens zag de vrouw een tafel met witte heren die aan het kaarten waren.
Niemand durfde de kelder van het Vollebekekasteel in Hooglede te betreden. Als men er een stok in stak, brandde die namelijk helemaal op. Ook de Duitsers hebben het niet aangedurfd het kasteel te betreden.
In 't Oenzeniertjesbus kwam 's avonds een doodkaars terug. Wel honderdvijftig of tweehonderd mensen kwamen naar de doodkaars kijken. In werkelijkheid was het een lantaarn op een stok waarmee één of andere grapjas de mensen bang wilde maken.
In Halewijn woonde een tovenaar die zo goed kon toveren dat hij nooit hoefde te gaan werken en toch iedere week geld kreeg. De mensen waren zo bang voor die tovenaar dat ze een omweg maakten langs Boesbeke om hem te ontlopen.
Eeen meisje dat iedere dag naar de kerk ging, durfde achteraan in de kerk niet bij twee oude vrouwen in de buurt te komen. De mensen vertelden immers dat die twee vrouwen toveressen waren. De zuster op school had verteld dat dat niet waar was, want…