In Sint-Joris-ten-Distel liep 's avonds een dronkaard rond, die een stem hoorde roepen: "Waar moet ik dat doen, waar moet ik dat zetten?" De volgende dag vertelde de dronkaard alles aan de pastoor, die zei: "Als je zondagavond naar huis gaat, dan…
Nadat Bèr gestorven was, moest hij komen spoken. Toen men het spook vroeg wat het wilde, antwoordde de dode Bèr: "Er moeten twee mensen voor mij op bedevaart gaan naar Scherpenheuvel. Ze hadden dat beloofd, maar ze hebben het nooit gedaan. Zolang…
In een boom zat een grapjas die een voorbijganger wilde bang maken door voor spook te spelen. Toen de grapjas boven zich een echte geest in de boom zag zitten, viel hij naar beneden van angst.
In de Bosstraat in Maastricht woonde een familie die een kind had geadopteerd. Op zekere dag wilde het kind niet meer eten, waardoor het erg vermagerde. Omdat de dokter geen raad wist, vroeg men aan het kind wat er scheelde. Het kind antwoordde:…
De gestorven rentmeester van het kasteel van Vogelsang kwam in het bos bij de brug over de beek spoken met koets en paard. Omdat de mensen bang waren voor het spook, hebben de geestelijken het verbannen.
Neske B. was verliefd op een meisje dat een relatie had met iemand anders. Op een avond liet de vriend van het meisje zijn rivaal door twee handlangers doodslaan op de Planken Brug. Het dode lichaam van Neske werd naar het broek gedragen. Sinds…
Een kindje dat een koek wilde gaan kopen, had een kwartje gestolen en het verborgen achter een steen van het huis. Nadat het kindje onverwachts was gestorven, hoorde men steeds een vreemd geluid achter die steen. Zodra men het kwartje had gevonden,…
In een geul in de duinen liep altijd iemand rond die riep: "Waar moet ik dat zetten? Waar moet ik dat zetten?" Toen een voorbijganger antwoordde: "Zet het terug waar je het gehaald hebt", was de dode verlost.
In Diepenbeek dwaalde een weerwolf rond, die de mensen plaagde. Die weerwolf was in feite een teruggekeerde dode. Wanneer de weerwolf voorbij een oven liep, ging het vuur uit. Nadat men het vel van de weerwolf had verbrand, zag men het beest niet…
In Rummen kwam een overleden vrouw spoken. Het spook kwam 's nachts op de rolluiken kloppen en vroeg om een kapel te bouwen. Toen men dat had gedaan, liet het spook zich niet meer zien.
Op een kerkhof zag men vaak lichtjes branden. Ook bij mistig weer zag men vaak dergelijke lichtjes. De mensen zeiden dat dat de zielen van teruggekeerde doden waren.
Bij de Stereik in Anzegem kwamen alle teruggekeerde doden bijeen. Men zag er allemaal lichtjes, katten, honden, paaltjes en witte planken. Om middernacht gingen de doden naar de plaats waar ze moesten gaan spoken.
Koob van de schoenmaker moest na zijn dood komen spoken. Omdat Koob altijd een goed mens was geweest, wist niemand wat het spook wilde. Op een dag zagen enkele mensen het spook naar een winkel in de buurt gaan. Koob had in die winkel namelijk een…
Op vochtige zomerdagen verschenen in laaggelegen gebieden soms dwaallichtjes die heen en weer bewogen. Men vertelde dat die lichtjes de zieltjes van ongedoopte kinderen waren.
Vroeger waakte men de hele nacht bij een dode. Wanneer de kaarsen die rond het lijk stonden, doofden zonder dat ze waren opgebrand, dan liep iedereen naar buiten. Het was immers een teken dat de dode weer levend zou worden.
Op het Hobos, waar de drossaard had gewoond, stonden nog veel galgen waaraan onschuldige mensen waren opgehangen. Het spook van de drossaard was verbannen naar een brug tussen Kerkhoven en 't Kamp. Een meisje dat over de brug wandelde, hoorde…
Twee zussen woonden samen in één huis. Eén van de zussen was gestorven. De derde dag dat de overleden zus opgebaard lag, hoorde de andere zus de dode vrouw zeggen: "Het is toch wreed, ik geraak maar niet dood!" Daarop antwoordde de andere zus:…
Stalkaarsen waren lichten die men 's avonds in de stal of op het veld zag, en die de mensen volgden. Sommigen geloofden dat stalkaarsen de zielen waren van mensen die na hun dood waren teruggekomen omdat ze nog iets moesten zeggen. Men mocht niet…
Een zekere Pier beweerde bij hoog en bij laag dat spoken en heksen bestonden. 's Nachts hoorde Pier altijd lawaai op de zolder. Toen het raampje openstond, hoorde hij iets vallen. Ondertussen leek men te roepen: "Hulp, hulp! Dat waren verdwaalde…