De kolenmijn was een ondergrondse wereld waarin alles bijzonder vreemd was voor degenen die voor het eerst beneden kwamen. Mijnwerkers waren eraan gewend; het was hun wereld.
Een primitieve, lage houten mijnwagen werd een “hond” genoemd. Jonge mijnwerkers droegen een soort paardentuig en trokken de “hond” op handen en voeten door de lage gangen van de mijn.
Faustus heeft in Praag vele vorsten, graven en heren ontmoet. Als Faustus thuiskomt uit Praag geeft hij zelf een gastmaal, omdat het hem in 'Den Ancker' zo goed was bevallen. Hij nodigt dezelfde mensen uit die bij het vorige gastmaal waren. Zijn…
Er zouden in Appingedam onderaardse gangen zijn tussen kerk en klooster. Een paar jaar geleden heeft men het verhaal onderzocht en is het onecht gebleken.
In de kelders en gangen onder het slot te Stein, leefden eens de Alvermannetjes. Overdag sliepen ze. 's Avonds kookten ze hun eten in het keukengerei van de mensen, melkten ze de koeien en stichten twist onder het dienende personeel, die zij…
Na de West-Vaalse vrede waren de onderaardse schuilplaatsen doelloos geworden. Op zekere dag werd het verhaal verspreid dat Auvermannetjes hun intrek hadden genomen in de 'haagten' bij Geleen. Ze waren heel schuw en verborgen zich. Maar voor wie goed…
De Kozakken kwamen in het land en versloegen bijna de Fransen. Niemand vond dit erg, behalve een oud vrouwtje. Zij wees de Fransen de ondergrondse gangen en zo konden zij ontsnappen.