Een vrouw die in de stal licht had gezien, ging door het sleutelgat kijken en hoorde: "Blaas dat lampje daar eens uit". Vervolgens blies één van de alvermannetjes de vrouw een oog uit.
Een vrouw zette haar wasgoed buiten met een kom pap ernaast. Wanneer de vrouw weg was, kwamen de alvermannetjes de pap opeten, waarna ze met het werk begonnen. Telkens wanneer de vrouw de dwergjes kwam bespieden, stopten ze met wassen. Daarna…
Wanneer men ongeluk had op een boerderij, geloofde men dat de rode mannetjes ervoor verantwoordelijk waren. Zulke mannetjes kon men kwijtraken door een bussel hout in brand te steken.
De kabouters die in Maarheze woonden, berokkenden de mensen heel wat last. 's Nachts braken de kabouters alles af wat de mensen overdag met veel moeite hadden gebouwd. Soms vernielden ze 's nachts ook de vruchten op het veld.
De kabouters woonden in spelonken op het grensgebied tussen Vechmaal, Oreye en Horpmaal. In Wallonië noemde men die grotten 'les trous des nutons'. De kabouters deden 's nachts de was voor de mensen in ruil voor een wit brood.
De alvermannetjes kwamen het werk van de mensen doen in ruil voor een bord boekweit. De dwergjes verbleven meestal op de zolder. Wanneer ze de oogst kwamen dorsen, zongen ze: "Ik heb zeven molenassen op één stam zien groeien".
Een man en een vrouw woonden met zeven kinderen in een groot bos. Eén van de zoontjes was zo klein dat men hem Klein Duimpje noemde. Op een dag hoorde Klein Duimpje hoe zijn ouders het plan beraamden om de zeven kinderen in het bos achter te laten…
Een man die te ver had gelezen in een toverboek, werd begeleid door roodkapjes (kabouters) wanneer hij terugkwam van zijn werk. Bij zijn thuiskomst riep de man: "Haast je, moeder, doe de deur dicht!" De moeder kon de kleine wezentjes niet zien.
Toen boer Karel W. ziek was, hebben de kaboutertjes zijn hele veld omgeploegd. Omdat de boer echter niet wilde toegeven dat de kabouters hem hadden geholpen, zijn die dwergjes hem nooit meer komen helpen.
Alvermannetjes kwamen 's nachts bij de mensen boter karnen. Toen een nieuwsgierige man de dwergjes door een gat op de zolder zat te bespieden, sprak één van de alvermannetjes: "Blaas dat kaarsje daar eens uit!" De man was zijn oog kwijt.
Een man ging 's nachts de alvermannetjes door een gat op de zolder bespieden. Opeens zei één van de dwergjes: "Daar is nog een lampje aan", waarop een ander de man een oog uitblies.
Enkele knechten moesten de oogst bijeenbinden vooraleer ze naar de kermis in Menen konden gaan. Toen de knechten ijverig aan het werk waren, verschenen de rode mannetjes met de woorden: "Als jullie alles doen wat wij zeggen, dan zullen wij jullie…