Enkele kinderen die 's nachts altijd lagen te huilen, begonnen te lachen wanneer hun grootmoeder binnenkwam. Zodra de grootmoeder vertrok, begonnen de kinderen echter opnieuw te huilen. De moeder heeft voor de kinderen een noveen gedaan en ze heeft…
In Heppeneert woonde een ridder die al zijn geld uitgaf aan drank en aan kaartspelletjes. Toen de ridder al zijn geld was kwijtgeraakt, verkocht hij zijn ziel aan de duivel. In ruil voor zijn ziel mocht de ridder vijftien jaar lang zonder enig…
Een man moest waken bij een doodzieke jongen. In de kamer van de jongen kwam altijd een kat zitten, die langs de afvoerput naar binnen kwam.Op een avond was de kat er weer. De jongen zuchtte even en overleed het volgende ogenblik. Op dat moment…
Een jager die 's avonds op een verlaten plaats rondliep, was niet bang omdat hij een stuk paaskaars in zijn zak had. Toen hij een groep heksen zag dansen, schoot hij naar het gezelschap. Op slag waren de heksen verdwenen.
Met Allerheiligen en Allerzielen plaatsen de kinderen vaak kaarsjes in rapen, die ze dan in hagen zetten. Mensen die zo'n raap zagen staan, liepen bang weg.
Stalkaarsen waren meestal glimwormpjes of uitgeholde rapen waarin men een kaars had gezet. Men stak die rapen op een stok en liep er 's avonds mee rond om de mensen bang te maken.
In Gruitrode had een gezin een dochtertje dat behekst was. 's Avonds lag het meisje in haar bed te schreeuwen: "Die lelijke vrouw slaat mij! Die lelijke vrouw slaat mij!" De ouders konden echter niemand zien. Ten einde raad ging de moeder met haar…
Vroeger gebeurde het vaak dat kinderen kaarsjes in een uitgeholde biet zetten, zodat de mensen zouden denken dat het stallichten of dwaallichten waren.
In de buurt van Geluveld woornde een jongetje van vier of vijf jaar oud. De jongen werd ziek, waardoor hij altijd zenuwachtig was en niet meer at. Het kind verzamelde allemaal papiertjes en houtblokjes in een hoekje in de tuin. Op een dag ging het…
Een doodkaars was een uitgeholde raap met een kaars erin. Soms zwaaide men ook heen en weer met een stok waarop men een zwijnenblaas had gestoken. Bij de Watermolen werd een jongen bang gemaakt door dergelijke grappenmakers.
In de herfst en de winter was het vroeg donker. Grapjassen liepen dan vaak rond met een stok waarop ze een uitgeholde biet met een kaars hadden vastgebonden. Zo wilde men de mensen in spoken doen geloven.
Een man die had gehoord hoe een spook driemaal op de kleerkast had geklopt, ging met een kaars en een puntige stok op zoek naar de bovennatuurlijke verschijning. Toen de man echter niets vond, zei hij: "Als het in de naam van God is, dan laat ik het…
Enkele mensen die in het veld aan het werken waren, zagen hun gestorven meter op klaarlichte dag terugkomen. De pastoor gaf de mensen de raad om het spook de volgende keer te vragen waarom het terugkwam. Toen de mensen gras aan het kruien waren,…
Wanneer de mensen met Allerheiligen 's avonds naar het kerkhof gingen om de kaarsen op de grafzerken uit te blazen, beweerden sommigen dat ze een spook hadden gezien.
In Jette stelde een man vast dat iemand geld van hem had gestolen. Een man uit Staden die in de tram of in de bus zat, zei: "Ik zal eens naar de waarzegger gaan". Toen de man dat had gedaan, zei hij: "De dief zal het geld terugbrengen en je zal…
Met Sint-Maarten liepen de mensen met brandende strohalmen langs de boerderijen en de boomgaarden om het volgende jaar veel fruit te hebben. Soms hingen ze ook uitgeholde bieten met een kaars in een boom.